1. Wat gebeurt er wanneer je struikelt?


1.1 Wat veroorzaakt een struikel?

Men spreek van een struikel wanneer iemand met zijn ‘’zwaaibeen’’ tijdens het lopen tegen een obstakel botst. Op het moment dat iemand naar voren loopt maakt men snelheid. Als op dat moment iemand struikelt zorgen de voorwaartse snelheid en de zwaartekracht ervoor dat het lichaam naar voren gaat roteren. Voor een goede balansherstel na een struikel is het noodzakelijk om dit voorwaartse impulsmoment voldoende af te remmen, zodat men niet valt. Op het moment dat er dus niet goed wordt gereageerd op een struikel, dan valt de persoon.


1.2 Werking evenwichtsorgaan

Blijven staan en lopen is voor veel mensen heel normaal. Maar wat zorgt ervoor dat je gewoon recht kan blijven staan en recht kan lopen? Daar zorgt het evenwichtsorgaan voor. Zonder het evenwichtsorgaan zouden we domweg de hele dag vallen en overal tegenaan lopen. Het evenwichtsorgaan bevindt zich in de binnenkant van het oor. Het evenwichtsorgaan bestaat uit drie holle, buisvormige kanalen, wat deel uitmaakt van het labyrint in het oor. Deze kanaaltjes bestaan uit vocht. Hieronder zit het gehoorsteentjesorgaan. Hier liggen op de zintuigcellen kristallen in een geleiachtige massa. Deze kristallen worden door de zwaartekracht naar beneden gedrukt. Als de stand van je hoofd verandert, verandert de invloed van de zwaartekracht op de kristallen. De kristallen drukken bij verschillende hoofdstanden anders op de zintuigcellen, zo wordt dus beweging geregistreerd. Het evenwichtsorgaan is gevoelig voor de stand van het hoofd en de veranderingen van de snelheid van het hoofd. Normaal gesproken krijgt ieder mens voortdurend informatie over de ruimte om zich heen. Deze informatie is afkomstig van een aantal systemen:

- Het evenwichtsorgaan

- De ogen

- Spieren en pezen, vooral de signalen uit de benen en nek geven informatie over de stand van het lichaam ten opzichte van het hoofd.

Al deze informatie van de evenwichtsorganen worden verwerkt in de hersenstam en in de kleine hersenen. Vanuit daar gaan prikkels naar de spieren van het lichaam, die dan vervolgens de houding en het evenwicht kunnen aanpassen en bewaren. Er gaan ook prikkels met informatie naar de grote hersenen waar het bewustzijn ligt. Op het moment dat daar verkeerde signalen of onbekende signalen binnen komen weten de hersenen daar geen raad mee. Hier ontstaat dan het gevoel van duizeligheid.


1.3 Hoe wordt de balans hersteld na het struikelen?

Er zijn twee hoofdstrategieën die voor een balansherstel na een struikel kunnen zorgen.

1. De ‘’Optil-strategie’’. Nadat iemand met zijn / haar zwaaibeen tegen een obstakel botst zal de persoon bij deze strategie het been opnieuw plaatsen en dan dus direct over het obstakel heen tillen.

2. De ‘’Plaatsings-strategie’’. Bij deze strategie zal de persoon zijn / haar been na een obstakel geraakt te hebben met het zwaaibeen eerst het andere been over het obstakel tillen en daarna het zwaaibeen. (Zie de afbeelding hieronder).

Er zijn dus twee strategieën. Welke van de twee plaatsvindt hangt vaak af wanneer het zwaaibeen tegen een obstakel aan botst. Wanneer het zaaibeen vroeg in de zwaaifase tegen het obstakel aan botst zal dit zwaaibeen meestal direct over het obstakel heen getild worden, de ‘’optil-strategie’’.

Op het moment dat het zwaaibeen laat in de zwaaifase tegen het obstakel botst, zal dit been meestal eerst neergezet worden, dan met het herstel been over het obstakel heen stappen en dan met het oorspronkelijke zwaaibeen over het obstakel stappen, de plaatsings-strategie.


1.4 Wat zijn de werkingen van de spieren, zenuwen, zintuigen en hersenen bij een struikel?


 

1.4.1 Spieren

Het menselijk lichaam heeft meer dan 600 skelet spieren die ervoor zorgen dat het lichaam kan bewegen. Bij elkaar vormen spieren ongeveer de helft van het lichaamsgewicht en verbinden de verschillende beenderen met elkaar. De vormen en afmetingen van de spieren zijn afhankelijk van de functie die de spieren hebben. Alle spieren bestaan uit spiervezel die kunnen rekken en samentrekken. Tijdens het samentrekken kunnen spieren half zo lang zijn als in de rusthouding.

De skeletspieren zijn aan de beenderen bevestigd met pezen. Deze pezen bestaan uit collageen. Op de plek waar de spieren vastzitten aan de beenderen is de zwakste plek en kunnen hier ook scheuren. Alle skeletspieren bestaan uit verschillende spierbundels, die samen in een omhulsel zitten. Deze bundels bevatten elk honderden spiervezels en myofibrillen. Myofibrillen zijn hele dunne draadjes binnen in de spier die bestaan uit twee soorten eitwitten, actine en myosine. Actine en myosine vormen samen een “harmonica”-structuur, die er voor zorgt dat de spier kan samentrekken of ontspannen.

Spiervezels kunnen trage of snelle energie leveren. De trage vezels zijn minder snel vermoeid dan de snelle vezels, omdat de cellen van de trage vezels beschikken over energie reserves. De snelle vezels kunnen sneller samentrekken dan de trage vezels, maar verbruiken daardoor meteen al hun energie. 


1.4.2 Zenuwen

Spieren worden in werking gezet door zenuwbanen die naar de spieren in je lichaam lopen. Op het moment dat iemand bijvoorbeeld wil gaan lopen, worden er signalen van de hersenen naar de spieren gestuurd. De impulsoverdracht van neuronen naar spieren vindt plaats via synapsen die zich in de motorische eindplaatjes bevinden. Hierbij komt acetylcholine vrij. Het vrijgekomen acetylcholine veroorzaakt een samentrekking van de aangesloten spiervezels. Al na één milliseconde is het acetylcholine verdwenen uit de synapsspleet. Door het enzym cholinesterase wordt acetylcholine afgebroken tot azijnzuur en choline.


1.4.3 Zintuigen

Het zintuigenstelsel bestaat uit zintuigen die ook wel receptoren worden genoemd. Een aantal zintuigen registreren externe prikkels zoals gezichtszintuigen, gehoorzintuigen en reukzintuigen. Er zijn ook zintuigen die interne prikkels registreren zoals baroreceptoren, osmosereceptoren en chemoreceptoren. Deze laatste zintuigen worden gebruikt bij homeostatische regelmechanismen. Naast deze zintuigen zijn er ook zintuigen die een verandering in de spanning van een spier of een verandering in de stand van een lichaamsdeel registreren. Deze worden ook wel proprioceptoren genoemd. Dit zijn bijvoorbeeld spierspoeltjes in spieren, sensoren in pezen en evenwichtszintuigen in de oren. Deze zintuigen zijn vooral erg belangrijk bij bewegen.


 1.4.4 Hersenen

Binnen de hersenen worden bepaalde gebieden onderscheiden die ook een verschillende functie vervullen. De volgende gebieden worden onderscheiden:

- De hersenstam. Hier liggen alle functies die letterlijk van vitaal belang zijn voor het in stand houden van het lichaam, zoals de bloedstroom, ademhaling en temperatuurregulatie. Verder draagt hij zorg voor de regulatie van de lichaamshouding en het slaap-waakritme (inwendige klok). De hersenstam verbindt vezels uit het lichaam met de rest van de hersenen. In de hersenstam vinden reflexen plaats die betrekking hebben op: de speekselklieren, de ogen, de luchtwegen en slikken (en braken en kokhalzen).

- De kleine hersenen. Hier wordt de coördinatie van de motoriek geregeld. Die coördinatie (evenwicht en spierspanning) vindt plaats in nauwe samenwerking met de grote hersenen, de hersenstam en het ruggenmerg.

- De tussenhersenen. Hier wordt de mate van geconcentreerdheid op een bepaalde bezigheid geregeld. Het heeft een regulerende invloed op de hormoonhuishouding en de lichaamstemperatuur en bevat het dorst- en hongercentrum.

- Het limbisch systeem. Dit bestaat uit delen van de tussenhersenen en delen van de grote hersenen. Dit systeem speelt een belangrijke rol bij emotionaliteit.

- De grote hersenen of hersenschors. Hier ligt een grote verscheidenheid aan functies.

In de hersenschors worden de functies motoriek en sensoriek geregeld. Elke plek in de hersenen heeft zijn eigen functie:

1. Secundair motorische schors, in deze schors ligt opgeslagen hoe bewegingen uitgevoerd moeten worden (lopen, fietsen etc.). Deze bewegingen kunnen uitgevoerd worden als zij naar de primaire motorische schors worden gestuurd. In deze schors ligt onder andere het spraakcentrum en het centrum voor gecoördineerde oog- en hoofdbewegingen.

2. Primaire motorische schors, hier wordt de uitvoering van bewegingen geregeld. De rechterhelft van de hersenen zorgt voor prikkeling van de linkerzijde van het lichaam en andersom. Op de motorische schors heeft elke skeletspier een eigen plekje van waaruit prikkels naar de betreffende spier worden gestuurd. Het aantal contacten tussen de hersenen en de spier is afhankelijk van de nauwkeurigheid waarmee de spier kan bewegen. (De vingers kunnen heel nauwkeurig bewegen en nemen dus ook een groot deel in beslag van de primaire motorische schors.)

3. Sensibele schors, hier vindt de gewaarwording plaats van de gevoelsprikkels (druk, tast, pijn, temperatuur en het bewegingsgevoel). Elk lichaamsgebied heeft zijn eigen plaats op de sensibele schors. Lichaamsgebieden met een fijne ‘gevoeligheid’ beslaan een grotere oppervlakte op deze schors.

4. Associatieve schors, hier wordt een betekenis gegeven aan de verschillende inkomende sensorische prikkels.

5. Secundair optische schors, waargenomen prikkels worden hier gesynthetiseerd tot een totaalbeeld.

6. Spraakcentrum, van belang voor onze spraak. Voor het gebruik van de taal zijn meerdere gebieden binnen de hersenen van belang.

7. Auditieve schors, hier eindigen de vezels die de gehoorprikkels uit het gehoororgaan vervoeren.

8. Primaire optische schors, hier eindigen de vezels die de prikkels uit de netvliezen van de ogen vervoeren. De linkerhelft van de hersenen ontvangt de prikkels uit de linkerhelften van beide netvliezen en andersom. 


1.4.5 Struikelen

Bij een struikel in het begin van de zwaaifase kan men het beste in één keer over het obstakel stappen. Wanneer men aan het eind van de zwaaifase is, is het verstandiger eerst de voet waarmee het obstakel werd geraakt te plaatsen en later er overeen te stappen. Deze aanpassingen worden grotendeels voorzien door schakelingen binnen het zenuwstelsel zelf. Het grootste gedeelte van de reacties treedt op voordat men zich bewust wordt van wat men precies gedaan heeft. Dit wordt ook wel een reflex genoemd. Dat komt doordat die integratie al op een relatief laag niveau, ruggenmerg en hersenstam, kan gebeuren. Er wordt maar voor een klein deel beroep gedaan op de hersenschors.

Een reflex is per definitie een onvrijwillige reactie. Voor een motorische reflex is dat een motorische reactie op een uitwendige prikkel die begint op een tijdstip wanneer iemand nog geen vrijwillige reactie kan maken. In de praktijk gaat men uit dat de vrijwillige reactie tijd 150 milliseconden bedraagt. Eerdere reacties worden dus gezien als reflexen. Bij struikelen beginnen de eerste reacties in de spieren van het been voor die 150 milliseconden. Dit zijn dus onvrijwillige reacties. Maar er zijn ook vrijwillige reactie bij het struikelen. Zo kan men bijvoorbeeld bij het struikelen beginnen zonder een tussenstap te maken, maar als men blijft haken kan er alsnog een tussenstap gemaakt worden. De gehele reactie op een struikel is dus een combinatie van onvrijwillige, reflex, en vrijwillige reacties.



Deze site is gratis gemaakt met Webklik.nl